• 1

Werkpakket 4

Inclusiviteit en Diversiteit

Dit dwarsdoorsnijdende pakket richt zich op de vraag welke hulpbronnen (menselijk, sociaal en cultureel kapitaal) jongeren nodig hebben om maatschappelijk te kunnen participeren en om toegerust te zijn voor maatschappelijke uitdagingen. Het doel van dit werkpakket is een beter begrip van het creëren, verwerven en benutten van deze hulpbronnen om uiteindelijk scheidslijnen tussen groepen, zoals etnische achtergronden of gender, te kunnen overbruggen. De ontwikkeling en het benutten van deze hulpbronnen speelt zich af in verschillende settings zoals gezin, school, buurt, en (sport)vereniging. De samenstelling en structuur van deze settings, hoe ze worden bestuurd of anderszins worden vorm worden gegeven kan het verwerven van deze hulpbronnen bevorderen, maar ook belemmeren. Dit leidt tot de volgende vraag:

Wat zijn doeltreffende en werkbare strategieën om processen van het benutten van hupbronnen te sturen met als doel sociale scheidslijnen te overbruggen?

De bouwstenen

  • Bruggen over scheidslijnen – intergenerationele contacten en inclusiviteit van wetenschap naar praktijk
    Opbrengsten

    Er zijn talrijke aanwijzingen dat de sociale afstand tussen jongeren en ouderen toeneemt. In deze bouwsteen is onderzocht hoeveel contacten jongeren hebben met ouderen, hoe deze contacten ontstaan en wat de inhoud daarvan is. Uit ons onderzoek blijkt dat de contacten tussen generaties alsmede tussen mensen die ongeveer 15 jaar van elkaar verschillen schaars zijn. In de buurt en op het werk komt men nog wel anderen tegen die wezenlijk van leeftijd verschillen, maar er worden geen vriendschappen gevormd. Er zijn veel initiatieven die ouderen en jongeren bij elkaar brengen, vooral in de Randstad. Echter, deze contacten beklijven maar zelden. Als het doel is langdurige relaties te creëren is het erg belangrijk om ervoor te zorgen dat de initiatieven aansluiten bij de vraag die ouderen en jongeren hebben. Pas dan bestaat er de mogelijkheid langdurige contacten op te bouwen. Op basis van dit onderzoek zijn er samen met de deelnemende partners een aantal maatregelen geformuleerd die dergelijke contacten kunnen bevorderen en zijn bestaande activiteiten van het Oranje Fonds en het RCOAK geëvalueerd.

    Contactpersoon:

    Prof. Dr. Beate Volker: b.volker@uva.nl

  • Leergemeenschap Slotervaart
    Samenvatting

    In deze bouwsteen zijn de voorwaarden onderzocht waaronder leerlingen met succes de klim op de schoolladder kunnen volbrengen. Hoe kunnen leerprocessen op scholen en opleidingen worden verbeterd en de schoolcultuur worden veranderd? Het onderzoek werd uitgevoerd binnen de Leergemeenschap Slotervaart. Deze leergemeenschap verbindt experimenteerruimte in Amsterdamse onderwijslocaties aan wetenschappelijke analyses van processen van inclusie, sociaalculturele diversiteit en bestuur in een genetwerkte samenleving.

    In het publieke debat over kansenongelijkheid wordt om legitieme redenen aandacht gevraagd voor stelselwijzigingen en systeemhervormingen. Vroegselectie, ongelijke advisering bij gelijke cognitieve competenties van leerlingen, gevoelige overgangen en de fysieke scheiding van vmbo en havo/vwo locaties dragen bij aan de kansenongelijkheid waarvoor de Inspectie van het Onderwijs (2019) krachtig waarschuwt. Het boek Switchen en klimmen , een belangrijke opbrengst van deze bouwsteen, draagt bij aan dit debat door de aandacht te vestigen op de noodzaak van een simultane hervorming van de schoolcultuur. Immers, wanneer binnen één schoolsysteem bepaalde leerlingen er beter in slagen hun educatieve proces te optimaliseren dan andere leerlingen, en wanneer in datzelfde systeem bepaalde docenten er beter in slagen verschil te maken voor hun leerlingen dan andere docenten, wordt deze focus op de cultuur op scholen steeds relevanter.

    ‘Switchen en klimmen’ is mede tot stand gekomen met input van de tien pioniersscholen uit Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Tilburg in de Community Urban Education. In de komende twee jaar zullen de pioniersscholen een verdiepingsprogramma aangeboden krijgen en zullen minstens 25 andere scholen met het basisprogramma starten. In totaal gaat het om ruim 1500 leerkrachten en docenten in het primair en voortgezet onderwijs en op MBO opleidingen.

    Contactpersoon:

    Joris Rijbroek: j.b.rijbroek@vu.nl

  • Overbruggen van pedagogische verschillen: samen naar een sterke pedagogische omgeving (SSPO)
    Opbrengsten

    Een van de uitgangspunten in het jeugdbeleid van veel gemeenten is het tot stand brengen van een pedagogische civil society’ vanuit het idee: ‘it takes a village to raise a child’. Dit vergt dat er in wijken en buurten sprake is van een sterke pedagogische omgeving. Een sterke pedagogische omgeving ontwikkelen is echter behoorlijk lastig. Ouders, vrijwilligers en professionals voelen zich niet vanzelf verantwoordelijk voor andersmans kinderen buiten hun eigen huis/gezin (ouders) of werksituatie (vrijwilligers/professionals).

    Om in kaart te brengen wanneer zij wel en niet (bereid zijn te) reageren is binnen deze bouwsteen een vignettenstudie verricht. Hieruit blijkt dat de opvoedstijl van de ouder, het gedrag van het kind én de locatie een rol spelen bij het wel of niet reageren van volwassenen (ouders, vrijwilligers, professionals) op opvoedsituaties in de buurt. De meeste mensen (72%) zeggen te reageren op situaties waarin de ouder een permissieve opvoedstijl hanteert. Ouders en vrijwilligers zeggen dat vaker te doen in de buurt (speeltuin bijvoorbeeld) en professionals (in het onderzoek leerkrachten en medewerkers voorschool) zeggen dat vooral te doen op het schoolplein. Bij reacties op het schoolplein zeggen respondenten vooral te reageren als het kind externaliserend gedrag vertoond en de ouder een permissieve opvoedstijl hanteert. Los van het schoolplein zeggen respondenten vooral te reageren op situaties waarin de ouder een autoritaire opvoedstijl hanteert en het kind internaliserend gedrag vertoont.

    Op dit moment wordt nagegaan of op basis van de vignetten die in het onderzoek zijn ontwikkeld een tool opgezet kan worden om binnen organisaties in gesprek te gaan met elkaar (professionals en vrijwilligers) en met ouders (op school, bij de voorschool en bij ouders thuis) over opvoeden in de buurt.

    Contactpersoon:

    Leonieke Boendermaker: L.Boendermaker@hva.nl

  • Moedertaal in het onderwijs van Nederlands als tweede taal (MoedINT2)
    Opbrengsten

    Inclusie van migranten begint met beheersing van het Nederlands. Het huidige onderwijs in Nederlands als tweede taal (NT2) besteedt nauwelijks aandacht aan de moedertaal van taalleerders, terwijl afhankelijk van de moedertaal specifieke leerproblemen bestaan. Binnen deze bouwsteen is daarom de webapplicatie MoedINT2 ontwikkeld ((zie ook de website: MoedINT2), waar taalwetenschappelijke kennis toegankelijk is voor docenten Nederlands als Tweede Taal. In de webapp vinden zij overzichten van verschillen en overeenkomsten tussen het Nederlands en andere talen (nl. moedertalen van hun leerlingen). Met die informatie kunnen docenten hun onderwijs beter afstemmen op de leerders, en de (moeder)taalvaardigheid van cursisten benutten bij het leren van Nederlands. Het project heeft zo een belangrijke bijdrage geleverd aan de vertaling van de bestaande wetenschappelijke kennis over dit onderwerp naar de onderwijspraktijk en vice versa.

    Contactpersoon:

    Dr. Sterre Leufkens: s.c.leufkens@uu.nl

  • ACT! Academy for Community and Talent
    Opbrengsten

    De Academy for Talent and Community (ACT) richt zich op jongeren die uit het reguliere onderwijs (dreigen te) vallen. Onderzocht is in welke mate het innovatieve onderwijs ACT kan bijdragen aan het vergroten van de veerkracht van jongeren door de vorm van het onderwijs maximaal te laten aansluiten bij hun passies en talenten. Met een mixed method benadering is bij studenten en docenten geëvalueerd in welke mate het onderwijs bijdraagt aan het stellen en realiseren van persoonlijke leerdoelen, in hoeverre het intrinsieke motivatie en competenties stimuleert en in welke mate community aspecten (sociale verbondenheid en samenwerking) worden gerealiseerd. Tevens is er bij de docenten nagegaan welke factoren uitvoer van het ACT onderwijs bevorderden of belemmerden.

    Studenten geven aan dat ze aan voor hen relevante en haalbare doelen hebben kunnen werken, binnen het onderwijsjaar. Studenten ervaren autonomie. Een duidelijk kernaspect van het onderwijs is de aandacht voor relaties tussen studenten, studenten en docenten en tussen docenten onderling. ACT draagt bij aan een groepsgevoel en identiteit, studenten voelen zich binnen ACT geaccepteerd en ze hebben inspraak. De aandacht voor de band tussen docenten en studenten blijkt ook uit het mentorschap. Wel lijkt er nog een verbetering nodig bij de rol van coach in het stellen van concrete doelen met de studenten en het concretiseren van taken om doelen te realiseren en het monitoren van doelen. Tot slot zijn er verbeteringen mogelijk ten aanzien van de organisatie van het onderwijs die de implementatie en borging van ACT zoals bedoeld verder kunnen stimuleren.

    Contactpersonen:

    Hanno Ambaum: hanno@deonderwijsmaker
    Pepijn van Empelen: pepijn.vanempelen@tno.nl

  • EDL’s: co-creating communities of trust
    Opbrengsten

    Uit diverse interviews met studenten blijkt dat zeker de helft zich af en toe eenzaam voelt en behoefte heeft om met andere studenten in contact te komen. Daarnaast bestaat er de behoefte om meer inzicht te krijgen in de diversiteit van de culturele achtergronden van medestudenten. Sociale netwerken op de campus lijken van buitenaf vrij goed, maar ze bestaan meestal uit sterke sociale bubbels met hoge toegangsdrempels. Sommige studenten, bijvoorbeeld internationale studenten, hebben moeite met het overwinnen van die barrières en lopen het risico om geïsoleerd te raken.

    Binnen deze bouwsteen zijn verschillende interactieve producten ontwikkeld, gebaseerd op laagdrempeligheid, intimiteit, nieuwsgierigheid en speelsheid, om studenten met elkaar in contact te brengen. Experiential Design Landscapes (EDL) en Data-Enabled Design (DED) lijken vruchtbare methodes om samen met studenten nieuwe mediators te ontwerpen om connecties met medestudenten te verhogen. Binnen het onderzoek was het een uitdaging om individuele eenzame studenten te vinden en ze te betrekken bij het ontwikkelen van deze Experiential Design Landscapes. Het inzetten van bestaande gemeenschappen (bijv. TU/e International Students Community) en professionals (bijv. sportcentrum en studentenpsychologen) was een succesvolle aanpak voor het co-ontwerpen van nieuwe tools. Daarnaast is het belangrijk om professionals en sociale netwerken en communities te betrekken bij het ontwerpen van interactieve engagement catalysers. Daarmee ontstaat een betere embedding op de campus en is tevens opschaling naar een grotere groep studenten mogelijk.

    Contactpersoon:

    Prof.dr.ir. Caroline Hummels: c.c.m.hummels@tue.nl

werkpakketten

logo klein